Dat bewegen gezond is, weet bijna iedereen wel. De beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad en de World Health Organization (WHO) zijn er dan ook niet voor niets. Het advies is om per week minimaal 150 minuten aan matig intensieve inspanning deel te nemen of (in de richtlijn van de WHO) minimaal 75 minuten aan hoog intensieve inspanning. Daarnaast ook nog twee keer per week spierversterkende oefeningen en voor ouderen ook nog drie keer per week functionele balansoefeningen (1). Wanneer je hieraan voldoet neemt het risico op chronische ziekten af en bij ouderen ook het risico op botbreuken na een val.

Fysieke inactiviteit blijft een belangrijk volksgezondheidsprobleem in Nederland: volgens de RIVM Leefstijlmonitor voldoet slechts 44% van de volwassenen aan de beweegrichtlijnen en is bijna één op de drie volwassenen grotendeels inactief.

Voordelen van bewegen

Er is al veel onderzoek gedaan naar de voordelen van voldoende beweging. Wanneer we willen kijken naar de relatie tussen beweging en ziekte of de kans op vroegtijdige sterfte, zijn er met name grootschalige observationele studies uitgevoerd.

De relatie tussen beweging en het risico op hart- en vaatziekten moet je zien als een kromlijnige relatie. Daarmee bedoelen we dat het grootste voordeel valt te halen wanneer je van niets naar iets gaat. Wanneer bijvoorbeeld iemand die volledig inactief is 1 uur per week gaat sporten of bewegen, dan zal dit meer gezondheidswinst opleveren dan wanneer iemand die al veel sport/beweegt, nóg meer gaat bewegen (2). Dit wordt ook weergegeven in afbeelding 1 hieronder.

Daarnaast laat een studie met meer dan 36.000 mensen  zien dat het risico op vroegtijdige sterfte al wordt verlaagd bij iedere toename in activiteit (op welke intensiteit dan ook) bij inactieve personen (3). In dit onderzoek hebben ze onder andere op basis van totale fysieke activiteit, de groep opgedeeld in vier gelijke groepen: van meest inactief tot meest actief. Het risico op vroegtijdige sterfte halveerde wanneer de vergelijking werd gemaakt tussen de meest inactieve groep en de op één na meest inactieve groep. Dit resultaat is een duidelijk voorbeeld dat van niets naar iets veel voordelen biedt (op het gebied van fysieke activiteit). 

Dit advies wordt ook door de WHO ter harte genomen. Zij hebben daarom in hun beweegrichtlijnen vermeld staan dat “Doing some physical activity is better than doing nothing”.

Afbeelding 1. Starten met bewegen levert de meest gezondheidswinst op

Meer bewegen gezondheid

Uitleg figuur: In de figuur wordt de kromlijnige relatie tussen bewegen en gezondheid weergegeven. Wanneer iemand helemaal niet beweegt en meer gaat bewegen dan wordt de meeste winst gezien. Daarna is er ook nog steeds een voordeel van meer bewegen, maar deze gezondheidswinst is relatief minder.

Het nut van beweging als medicijn

Beweging is een van de meest effectieve en haalbare interventies voor gezondheidsbevordering. Elke toename in fysieke activiteit verlaagt het risico op chronische aandoeningen als hart- en vaatziekten, diabetes type 2, depressie, verschillende vormen van kanker, dementie en het heeft ook positieve effecten op de bloeddruk en stemming (4-7). Van de onderzochte aandoeningen waren de grootste effecten te zien bij depressie en kanker.

Daarnaast kan beweging ook nuttig zijn wanneer iemand al ziektes heeft. Zo gaat de algehele conditie van patiënten erop vooruit, wat ook weer voordelen heeft in de voorbereiding voor een zware behandeling, zoals een operatie of een chemokuur (8). Hierdoor liggen patiënten korter in het ziekenhuis en hebben ze minder complicaties (9).

Een aantal groepen springen er in het bijzonder uit als het gaat om inactiviteit. Iedere groep heeft zo zijn eigen drempels en belemmeringen om te starten met bewegen. Het gaat hierbij om:

  • Ouderen (65+),
  • Mensen met een lage sociaaleconomische status,
  • Chronisch zieken en mensen met een aandoening,
  • Vrouwen (ten opzichte van mannen),
  • Jongeren/adolescenten.

Hieronder zullen we de belangrijkste punten bij deze verschillende groepen beschrijven.

Ouderen (65+)

Volgens het Leefstijlmonitor van het RIVM voldoet nog geen 39% van de 65+’ers aan de beweegrichtlijnen (10). Dit percentage ligt wat hoger bij de vitale ouderen en een stuk lager bij de ouderen die extra zorg nodig hebben. Van de 75+’ers voldoet slechts 29% aan de beweegrichtlijnen (11). Redenen voor inactiviteit komen deels voor door een verminderde fysieke functie; een verminderde mobiliteit, spierverlies of chronische ziekten. Deze redenen zorgen er ook voor dat de angst om te vallen en verminderde zelfredzaamheid toenemen. In combinatie met een verkleinend sociaal netwerk kan dit er juist voor zorgen dat deze groep in een neerwaartse spiraal terecht komt; een verslechterde fysieke conditie verhoogt weer de drempel om te gaan bewegen.

Afbeelding 2. De vicieuze cirkel van weinig bewegen

Weinig bewegen vicieuze cirkel

Om deze vicieuze cirkel te doorbreken, zouden een aantal strategieën nuttig kunnen zijn:

  • Laagdrempelige beweegactiviteiten dicht bij huis werken goed om ouderen kennis te laten maken met beweging (12).
  • Een sociale component kan voor extra stimulans zorgen. Senioren wandelgroepen of sporten onder begeleiding van een fysiotherapeut zijn daarbij goede opties (13).

Mensen met een lage sociaal economische status

In 2024 was het percentage van mensen met een lage sociaal economische status (SES) dat voldoet aan de richtlijnen slechts ongeveer 33%, vergeleken met ongeveer 51% bij mensen met een hoge SES (14). Het Mulier instituut neemt hier de volgende definitie van een lage SES aan:

  • Inkomen valt onder de 40% laagste inkomens én;
  • Lager opleidingsniveau (lagere school, vmbo, mavo of lager beroepsonderwijs)

 

De inactiviteit bij deze groep komt vaak door minder ervaring of beperkte kennis over gezondheidsvoordelen van bewegen. Daarnaast komen fysieke beperkingen en chronische klachten vaker voor in deze groepen, wat een hogere drempel geeft om te beginnen met bewegen. Ook een aantal omgevingsfactoren spelen een rol, zoals werkomstandigheden (onregelmatige werktijden of meerdere banen en daardoor weinig tijd/energie over voor sport), verminderde aanwezigheid van beweegvoorzieningen in achterstandswijken of hoge kosten van beweegvoorzieningen.

Adviezen om aan deze groep mee te geven hebben dus te maken met flexibel aanbod van bewegen in de buurt (het liefst zonder lidmaatschap). Bijvoorbeeld groepslessen of activiteiten die op meerderen momenten op de dag worden gegeven om zo rekening te houden met mensen met onregelmatige diensten. Daarbij is het belangrijk om rekening te houden met persoonlijke onderliggende redenen voor inactiviteit.

Mensen met een chronische aandoening

Veel mensen met een chronische aandoening zijn inactief; slechts 36% van deze groep voldoet aan de beweegrichtlijnen. Een chronische aandoening wordt hierbij omschreven als een aandoening waarbij over het algemeen geen uitzicht is op volledig herstel (denk aan mensen met hart- en vaatziekten, COPD of suikerziekte). Bij mensen die zowel een chronische aandoening als een lichamelijke beperking (visueel, auditief of motorisch) hebben, ligt het percentage dat voldoet aan de beweegrichtlijnen op slechts 17% (15). Dit komt met name door pijn, vermoeidheid, gewrichtsaandoeningen en angst voor verergering van klachten.

Daarnaast zijn niet alle sport- en beweegfaciliteiten volledig toegankelijk. Het aantal mensen met meerdere problemen in de gezondheid neemt steeds meer toe (16). Daarom is het ook extra belangrijk dat deze mensen weer in beweging komen. Voor deze doelgroep is beweging op maat of begeleiding belangrijk. Hierbij een paar suggesties:

  • In veel gevallen kan een fysiotherapeut in de buurt hier ondersteuning bij bieden. Zo kan een eenmalige begeleide training al handvatten bieden over wat wel mogelijk is in de situatie van de patiënt.
  • Ook hebben buurtsportcoaches vaak een goed overzicht van mogelijkheden in de eigen omgeving. Zo leren mensen hun eigen grenzen, maar ook hun mogelijkheden beter kennen op een veilige manier.

 

Buurtsportcoaches hebben de taak om meer mensen te laten sporten en bewegen in de gemeente. Ze leggen verbinding tussen aanbieders van sport en bijvoorbeeld welzijn, gezondheidszorg, jeugdzorg, kinderopvang en onderwijs. Sommige buurtsportcoaches geven sport- en beweegactiviteiten en begeleiden groepen, terwijl andere buurtsportcoaches vooral een coördinerende en verbindende rol hebben. Er zijn dus veel verschillende manieren om een buurtsportcoach in te zetten en om een passende invulling te vinden voor sport en beweging voor ieder individu (17).

Vrouwen

Ten opzichte van mannen voldoen vrouwen minder vaak aan de beweegrichtlijnen. Hier liggen vaak nog traditionele rolmodellen aan ten grondslag: tijdgebrek door zorgtaken (kinderen en huishouden), lage prioriteit door werk, maar ook belemmeringen vanwege veiligheidsredenen (18). Voor vrouwen gelden een paar adviezen:

  • Bij vrouwen speelt de sociale component van het sporten en bewegen vaak een grotere rol dan bij mannen. Op veel plekken worden daarom sessies speciaal voor vrouwen aangeboden.

Ook bij vrouwen is flexibel aanbod van belang, zodat er een mogelijkheid is om hun activiteit op meerdere momenten op de dag te plannen.

Jongeren / adolescenten (12-17) en jongvolwassenen (18-25)

Volgens het LoketGezondLeven voldoet ±39% van de jongeren en ±45% van de jongvolwassenen aan de beweegrichtlijnen (15). Dit komt mede door de technologische revolutie waarin we ons momenteel begeven, maar ook doordat de intrinsieke motivatie bij deze doelgroep vaak wat lager is. Daarnaast zit deze doelgroep veel voor studie/werk, maar ook tijdens het gamen en het gebruik van sociale media.

 

Hierbij een aantal suggesties om jongeren te stimuleren om meer te bewegen:

  • De technologie kan ook in het voordeel worden gebruikt (misschien is ‘Pokémon Go’ nog niet zo’n slecht idee).
  • Effectieve interventies liggen vooral in school- en buurtgerichte programma’s met een spelelement; hier kan een buurtsportcoach wederom bij helpen (19).

Conclusie

De meeste gezondheidswinst is te behalen door mensen die niet of heel weinig bewegen, meer te laten bewegen. Al met al weten inactieve mensen best dat meer bewegen gezond is. Het verspreiden van alleen kennis hierover volstaat dus niet om mensen daadwerkelijk meer te laten bewegen; zaken zoals geld, fysieke en sociale omgeving spelen ook een belangrijke rol.

Het duurzaam implementeren van bewegingsinterventies blijft daarom ingewikkeld en zal voor ieder persoon anders ingevuld moeten worden. Maar wie moet hier de regie in nemen? Het verreist in ieder geval een multidisciplinaire aanpak, waarbij in veel gevallen buurtsportcoaches hulp kunnen bieden bij het geven van een overzicht van het aanbod in de buurt. Daarnaast kunnen fysiotherapeuten, artsen en andere zorgverleners hulp bieden bij mensen met lichamelijke belemmeringen.

Er is in ieder geval voldoende bewijs dat iets nog altijd beter is dan niets in het geval van fysieke activiteit.

Bronnen

1.             Bull FC, Al-Ansari SS, Biddle S, Borodulin K, Buman MP, Cardon G, Carty C, Chaput J-P, Chastin S, Chou R, Dempsey PC, DiPietro L, Ekelund U, Firth J, Friedenreich CM, Garcia L, Gichu M, Jago R, Katzmarzyk PT, Lambert E, Leitzmann M, Milton K, Ortega FB, Ranasinghe C, Stamatakis E, Tiedemann A, Troiano RP, van der Ploeg HP, Wari V, Willumsen JF. World Health Organization 2020 guidelines on physical activity and sedentary behaviour. British Journal of Sports Medicine;54(24):1451-1462. 2020.

2.             Eijsvogels TM, Molossi S, Lee DC, Emery MS, Thompson PD. Exercise at the Extremes: The Amount of Exercise to Reduce Cardiovascular Events. J Am Coll Cardiol;67(3):316-329. 2016.

3.             Ekelund U, Tarp J, Steene-Johannessen J, Hansen BH, Jefferis B, Fagerland MW, Whincup P, Diaz KM, Hooker SP, Chernofsky A, Larson MG, Spartano N, Vasan RS, Dohrn I-M, Hagströmer M, Edwardson C, Yates T, Shiroma E, Anderssen SA, Lee I-M. Dose-response associations between accelerometry measured physical activity and sedentary time and all cause mortality: systematic review and harmonised meta-analysis. BMJ;366:l4570. 2019.

4.             Lee IM, Shiroma EJ, Lobelo F, Puska P, Blair SN, Katzmarzyk PT. Effect of physical inactivity on major non-communicable diseases worldwide: an analysis of burden of disease and life expectancy. Lancet;380(9838):219-229. 2012.

5.             McTiernan A, Friedenreich CM, Katzmarzyk PT, Powell KE, Macko R, Buchner D, Pescatello LS, Bloodgood B, Tennant B, Vaux-Bjerke A, George SM, Troiano RP, Piercy KL. Physical Activity in Cancer Prevention and Survival: A Systematic Review. Med Sci Sports Exerc;51(6):1252-1261. 2019.

6.             Schuch FB, Vancampfort D, Richards J, Rosenbaum S, Ward PB, Stubbs B. Exercise as a treatment for depression: A meta-analysis adjusting for publication bias. J Psychiatr Res;77:42-51. 2016.

7.             Livingston G, Sommerlad A, Orgeta V, Costafreda SG, Huntley J, Ames D, Ballard C, Banerjee S, Burns A, Cohen-Mansfield J, Cooper C, Fox N, Gitlin LN, Howard R, Kales HC, Larson EB, Ritchie K, Rockwood K, Sampson EL, Samus Q, Schneider LS, Selbæk G, Teri L, Mukadam N. Dementia prevention, intervention, and care. Lancet;390(10113):2673-2734. 2017.

8.             McIsaac DI, Kidd G, Gillis C, Branje K, Al-Bayati M, Baxi A, Grudzinski AL, Boland L, Veroniki A-A, Wolfe D, Hutton B. Relative efficacy of prehabilitation interventions and their components: systematic review with network and component network meta-analyses of randomised controlled trials. BMJ;388:e081164. 2025.

9.             Molenaar CJL, Minnella EM, Coca-Martinez M, ten Cate DWG, Regis M, Awasthi R, Martínez-Palli G, López-Baamonde M, Sebio-Garcia R, Feo CV, van Rooijen SJ, Schreinemakers JMJ, Bojesen RD, Gögenur I, van den Heuvel ER, Carli F, Slooter GD, Group PS. Effect of Multimodal Prehabilitation on Reducing Postoperative Complications and Enhancing Functional Capacity Following Colorectal Cancer Surgery: The PREHAB Randomized Clinical Trial. JAMA Surgery;158(6):572-581. 2023.

10.          Leefstijlmonitor 2023 [Internet].

11.          Ruim 4 op de 10 volwassenen bewegen voldoende [Internet].

12.          Rapport deelname aan sport en bewegen door ouderen [Internet].

13.          Liu Y, Lachman ME. A Group-Based Walking Study to Enhance Physical Activity Among Older Adults: The Role of Social Engagement. Res Aging;43(9-10):368-377. 2021.

15.          Cijfers en feiten sport en bewegen [Internet].

16.          Chronische aandoeningen en multimorbiditeit [Internet].

17.          Alles over de buurtsportcoachregeling [Internet].

18.          Peng B, Ng JYY, Ha AS. Barriers and facilitators to physical activity for young adult women: a systematic review and thematic synthesis of qualitative literature. Int J Behav Nutr Phys Act;20(1):23. 2023.

19.          van Sluijs EMF, Ekelund U, Crochemore-Silva I, Guthold R, Ha A, Lubans D, Oyeyemi AL, Ding D, Katzmarzyk PT. Physical activity behaviours in adolescence: current evidence and opportunities for intervention. Lancet;398(10298):429-442. 2021.

Auteur

Thijs Landman

Thijs Landman

Biografie

Thijs is arts, wetenschapper en oprichter van Medicus Online. Op dit moment is hij in opleiding tot huisarts.
Volg mij op LinkedIn!

Volg Medicus Online

Reacties

  1. Artsen zouden vaker wandelen mogen voorschrijven, bijvoorbeeld eens per week gaan wandelen met iemand die rolstoelafhankelijk is maar erg graag buiten zou willen komen. Twee vliegen in een klap!

Comments are closed

Abonneer op onze nieuwsbrief

Bedrijfsgegevens

Disclaimer

Alle informatie die hier wordt aangeboden dient alleen voor informatieve doeleinden. Het is geen vervanging voor het advies van jouw eigen arts of specialist.

Bij lichamelijke klachten, psychische klachten, vragen, of het inwinnen van advies over je situatie: Neem contact op met jouw eigen huisarts!
Medicus Online 2026 © Alle rechten voorbehouden.
Gerealiseerd door: Digishock

Inhoudsopgave

Zoek een artikel